top of page
dependancevergaderingen
voordrachten

6 februari 2026

wat op het spel staat                                   Gerard Weststeijn

Geschiedenis, cultuur en spel in crisistijd

Inleiding – waarom deze vraag nú gesteld moet worden Wat staat er op het spel? Die vraag klinkt eenvoudig, maar is allesbehalve onschuldig. Ze veronderstelt urgentie, kwetsbaarheid, een mogelijk verlies. Ze impliceert dat iets van waarde niet vanzelfsprekend is, dat het kan verdwijnen – door achteloosheid, door macht, door verwaarlozing. Ik doe een poging, vanuit de houding het niet te willen weten, zoekende ook naar de betekenis ervan voor ons vak als pedagogen en psychotherapeuten. Wat is de betekenis van spel in de psychotherapie voor kinderen. In de Huizingalezing van Beatrice de Graaf (Huizingalezing december 2024) klonk het scherp: Wij zijn de tijden. Geschiedenis in crisistijd. Niet als slogan, maar als morele diagnose. Geschiedenis is geen veilig archief waar we lessen uit halen; zij is een ruimte waarin wij zelf handelen, nalaten, doorgeven. In crisistijd – en daar bevinden wij ons – wordt geschiedenis geen achtergrond, maar een spiegel. De Graaf’s lezing is doordrenkt van een realistische blik op de dreigingen waarmee de moderne samenleving wordt geconfronteerd en bood een verrassende conclusie: HOOP. Niet een naïeve, blindelings optimistische hoop, maar een actieve, geëngageerde hoop. Een hoop die ontstaat uit het erkennen van de gevaren, maar die tegelijkertijd gelooft in de mogelijkheid van verandering en verbetering. Deze hoop is niet passief; het is een oproep tot handelen, een uitnodiging om verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst. De lezing van Roovers (december 2025) borduurde voort op dit thema, met een sterke nadruk op de individuele en collectieve verantwoordelijkheid. In een wereld die steeds complexer en meer en meer onderling verbonden raakt, is het cruciaal dat we ons bewust zijn van de gevolgen van onze acties en beslissingen. Verantwoordelijkheid impliceert niet alleen het erkennen van onze fouten, maar ook het actief zoeken naar oplossingen en het streven naar een rechtvaardigere en duurzamere wereld. Roovers (Filosofe, Denker des Vaderlands en Eerste Kamerlid voor Groenlinks/PvdA verbond de vraag ‘Wat op het spel staat’ aan politiek, fair play en het verlies van spelregels die ons samenleven ooit dragelijk maakten. Niet het conflict zelf is het probleem, maar het verdwijnen van de regels waaronder conflict menselijk kan blijven. Ik wil die twee lezingen samenbrengen en verdiepen vanuit het werk van Johan Huizinga. Want Huizinga’s denken is geschreven vanuit crisis, vóór de catastrofe, met een scherp oog voor wat verdwijnt wanneer cultuur haar spelkarakter verliest. ________________________________________ Wij zijn de tijden – Beatrice de Graaf De hoofdgedachte van De Graaf is niet argeloos maar vraagt veel. Geschiedenis gebeurt niet achter ons, maar door ons. In crisistijd verdwijnt de illusie van neutraliteit. Dan wordt zichtbaar dat waarden niet vanzelf blijven bestaan. Vrijheid, rechtsstaat, menselijke waardigheid – ze zijn geen erfstukken, maar oefenpraktijken. Ze bestaan alleen zolang mensen ze belichamen. De Graaf laat zien dat crisissen zich herhalen in vorm, maar niet in betekenis. Elke generatie moet opnieuw leren onderscheiden: •wat bescherming verdient, •wat verzet vraagt, •en wat verantwoordelijkheid betekent. Dat vraagt om historische gevoeligheid, maar ook om pedagogische moed. Want wie zegt wij zijn de tijden, zegt ook: wij zijn verantwoordelijk voor wat wij normaliseren. ________________________________________ Wat op het spel staat – Daan Roovers Roovers verscherpt deze gedachte door het begrip spel opnieuw politiek te maken. Zij laat zien hoe in het publieke domein de spelregels onder druk staan: •- waarheid wordt strategie, •- macht wordt schaamteloos, •- tegenstanders worden vijanden. Politiek verliest dan haar ludieke kern: het vermogen om strijd te voeren binnen een gedeeld kader. Fair play is geen luxe, maar een voorwaarde voor menselijk samenleven. Wat op het spel staat, zegt Roovers, is niet alleen democratie, maar beschaving zelf: de kracht om verschil te verdragen zonder ondergang. Hier raakt zij direct aan Huizinga. ________________________________________ Johan Huizinga – wie hij was en waarom hij ons nog aangaat Johan Huizinga (1872–1945) was historicus, cultuurdenker, essayist. Hij leefde en schreef in een tijd van ontwrichting: de Eerste Wereldoorlog, het interbellum, de opkomst van totalitaire ideologieën. Zijn werk is doordrenkt van zorg – niet om instituties alleen, maar om de geest van de cultuur. Drie werken zijn hier cruciaal: Herfsttij der Middeleeuwen (1919) Geen nostalgisch boek, maar een analyse van cultuur in verval. Huizinga toont hoe vormen blijven bestaan terwijl hun bezieling verdwijnt. Rituelen worden leeg, symbolen mechanisch. Cultuur sterft niet door geweld alleen, maar door verstarring. In ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ laat hij zien hoe een samenleving, die ooit doordrenkt was van rituelen en symboliek, kan vervallen tot formalisme en verval. De spelregels van het leven, ooit gedragen door een diep gevoel van betekenis, worden leeg en hol. De waarden die ooit de basis vormden van de samenleving, worden uitgehold en vervangen door cynisme en opportunisme. Homo Ludens (1938) Zijn meest radicale stelling: cultuur ontstaat niet uit arbeid of macht, maar uit spel. Spel is ouder dan cultuur. In spel oefenen mensen vrijheid, begrenzing, betekenis en gemeenschap. In Homo Ludens levert Huizinga zijn meest invloedrijke bijdrage. Hij stelt dat het spel niet slechts een oppervlakkige activiteit is, maar een fundamenteel aspect van de menselijke cultuur. Het spel is de bron van creativiteit, innovatie en sociale cohesie. Het is in het spel dat we onze grenzen verleggen, onze verbeelding de vrije loop laten en nieuwe vormen van interactie en samenwerking ontwikkelen. Straks schematisch hier meer over. In de schaduwen van morgen (1935) Een cultuurkritisch noodsignaal. Huizinga ziet hoe ernst zonder speelsheid ontaardt in fanatisme. Wanneer alles nut, macht of efficiëntie wordt, verdwijnt beschaving. In ‘De schaduwen van morgen’ waarschuwt Huizinga voor de gevaren van een samenleving die de speelsheid en creativiteit onderdrukt. Hij ziet hoe totalitaire regimes het spel gebruiken als een instrument van controle en manipulatie. De spontaneïteit en vrijheid van het spel worden vervangen door rigide regels en ideologische dogma's. De individuele expressie wordt gesmoord en vervangen door een uniforme, conformistische massa. ________________________________________ Het begrip spel bij Huizinga – een nadere uitwerking Wat verstond Huizinga onder "spel"? Het is belangrijk om te begrijpen dat hij niet alleen doelde op kinderspel of sport. Voor Huizinga is het spel een bredere categorie, een fundamentele culturele activiteit. Zijn definitie in Homo ludens: Spel is een vrijwillige handeling of bezigheid, die binnen zekere vastgestelde grenzen van tijd en plaats wordt verricht naar vrijwillig aanvaarde, doch volstrekt bindende regel, met haar doel in zichzelf, begeleid door een gevoel van spanning en vreugde, en door een besef van ‘anders zijn’ dan ‘het gewone leven’. [Huizinga Homo ludens pag. 50] Huizinga’s spelbegrip is geen tijdverdrijf. Spel is: •Vrijwillig – het kan niet worden afgedwongen. Spel is niet verplicht, het is een vrije keuze. •Begrensd – in tijd, ruimte. Het spel vindt plaats binnen bepaalde regels en grenzen. •Zinvol – het draagt betekenis in zichzelf. Het spel creëert een zekere spanning, een uitdaging. Het spel heeft een eigen orde, een eigen systeem van regels en betekenissen. •Gemeenschapsvormend, het schept verbondenheid. •Niet-instrumenteel – het heeft geen extern doel. •Sacraliteit: Spel kan ook een sacraal karakter hebben, zoals in rituelen en ceremonies. In spel ervaren mensen: •Wat rechtvaardigheid is, •Hoe regels werken, •Hoe verlies te verdragen, •Hoe verschil mogelijk blijft zonder vernietiging. Cultuurbegrip De essentie van Huizinga's gedachtegang ligt in zijn overtuiging dat cultuur niet louter een product is van economische of politieke krachten, maar vooral een expressie van de menselijke geest, van onze verbeelding, creativiteit en ons vermogen tot symbolische representatie. Hij zag een direct verband tussen het vermogen om te spelen en de vitaliteit van een cultuur. Wanneer het spel verdwijnt, of ontaardt in iets anders, dreigt de cultuur te verarmen en te vervallen. Cultuur – recht, kunst, wetenschap, politiek – ontstaat volgens Huizinga binnen de speelruimte. Wanneer spel verdwijnt, wordt cultuur hard, cynisch, instrumenteel. Dan is alles ernst – en ernst zonder spel is dodelijk. ________________________________________ Spel en cultuur – wat verdwijnt als het spel verdwijnt Huizinga laat zien dat cultuur sterft wanneer: -Regels alleen nog strategisch worden gebruikt, -Winnen belangrijker wordt dan deelnemen, -De ander niet langer medespeler is. Dat is geen abstracte analyse. Het is een diagnose van onze tijd: Politiek zonder fair play, Onderwijs zonder ruimte, Opvoeding zonder verbeelding. Wat op het spel staat, is precies dát: De speelruimte waarin menswording mogelijk blijft. Het is de essentie van onze menselijkheid. Het is de mogelijkheid om creatief te zijn, om te innoveren, om nieuwe betekenis te geven aan ons leven. Het is de vrijheid om te experimenteren, om fouten te maken, om te leren en te groeien. Het is de hoop op een betere toekomst, en de verantwoordelijkheid om die toekomst te creëren. De erosie van het spel, zoals Huizinga die beschreef, is niet een abstracte theoretische kwestie. Het is een realiteit die we dagelijks ervaren in de vorm van toenemende prestatiedruk, bureaucratisering, en de alomtegenwoordigheid van technologie die ons afleidt van de essentie van het menselijk contact. We worden steeds meer gedwongen om te conformeren aan de verwachtingen van anderen, om te voldoen aan de eisen van de markt, om ons te laten leiden door de algoritmes van de sociale media. Om de dreiging van deze erosie tegen te gaan, moeten we het spel opnieuw centraal stellen in ons leven. We moeten de speelsheid en creativiteit van de kindertijd koesteren en stimuleren. We moeten ruimte creëren voor spontaniteit en improvisatie, voor experiment en exploratie. We moeten ons verzetten tegen de druk om te conformeren en de moed hebben om onze eigen weg te gaan. Het is in het spel dat we de waarden kunnen herontdekken die Huizinga zo dierbaar waren: eerlijkheid, respect, en de bereidheid om de regels te volgen. Het is in het spel dat we kunnen leren samenwerken, conflicten oplossen en nieuwe vormen van gemeenschap te creëren. Het is in het spel dat we de hoop kunnen vinden die De Graaf ons aanreikte, en de verantwoordelijkheid kunnen nemen die Roovers ons oplegde. "Wat op het spel staat" is dus niets minder dan de toekomst van de menselijke cultuur. Het is de vraag of we in staat zijn om de speelsheid en creativiteit te bewaren die ons tot mens maken, of dat we zullen vervallen tot een steriele, gecontroleerde samenleving, verstoken van vreugde en verwondering. Het antwoord op deze vraag ligt in onze handen. We moeten de uitdaging aangaan, de verantwoordelijkheid nemen en de hoop levend houden. Laten we het spel beginnen. Spel in de psychotherapie – pedagogische resonantie In de speltherapie – zoals ontwikkeld en toegepast door dr. E. Vermeer, Van de Zeyde, Hellendoorn en Lubbers – zien we Huizinga’s inzicht concreet belichaamd. Het kind speelt niet om te genezen, maar geneest door te spelen. In speltherapie: •wordt innerlijke chaos symbolisch hanteerbaar, •krijgt het onzegbare vorm, •ontstaat veiligheid door herhaling en ritme, •leert het kind regels vertrouwen. Spel is hier betekenis gevend en zinduidend, maar een existentiële ruimte waarin het kind opnieuw mens mag worden. Dit pedagogisch inzicht sluit naadloos aan bij Huizinga: waar spel mogelijk is, is toekomst mogelijk. ________________________________________ Spelen: een functionele ‘alsof realiteit’ In het spel wordt de dagelijkse werkelijkheid vervangen door een meeslepende alsof realiteit, ‘A living creation of methaphors’ (Arnoux 1993), die spelers tot uitdrukking brengen en waar toeschouwers in delen. Gadamer (1986) verhelderde de functie daarvan op eminente wijze toen hij het spel als mogelijkheid zag om zicht op het leven in alle verscheidenheid te krijgen. ‘In der Darstellung des Spieles kommt heraus was (wahr) ist’, stelt Gadamer (1975:107 e.v.) dan ook terecht. Toch is spelen niet altijd een panacee om zicht op het leven te krijgen. De strijd om echtheid Eerlijk spelen leidt tot de oprechte, de heilige ernst van een geloofwaardige presentatie. ‘Vadertje en moedertje spelen’, zoals die echt (in waarheid) zijn, of zoals jij zou willen dat ze echt zouden zijn.’ Vandaar dat kinderen na dit spel toch wat anders over hun ouders denken! ‘In der Darstellung des Spieles kommt heraus was (wahr) ist’, stelt Gadamer (1975:107 e.v.) dan ook terecht. 2. Structurering Spel is creatie van visie, orde en regel (Huizinga 1932:15 e.v.) Huizinga heeft in zijn fundamentele studie ‘Homo Ludens’ geschreven, dat het spel basaal blijkt te zijn om de wereld in cultuur te brengen. Als kinderen de mogelijkheid om zich te identificeren met iets anders ontdekken en de wereld zo kunnen veranderen, zijn de dingen uiteindelijk niet zo werkelijk, zo permanent, zo verschrikkelijk, zo belangrijk of logisch, als ze lijken. (Huizinga 1932:29) 2. Structurering Spel is creatie van visie, orde en regel (Huizinga 1932:15 e.v.) Huizinga heeft in zijn fundamentele studie ‘Homo Ludens’ geschreven, dat het spel basaal blijkt te zijn om de wereld in cultuur te brengen. Als kinderen de mogelijkheid om zich te identificeren met iets anders ontdekken en de wereld zo kunnen veranderen, zijn de dingen uiteindelijk niet zo werkelijk, zo permanent, zo verschrikkelijk, zo belangrijk of logisch, als ze lijken. (Huizinga 1932:29) 6. Ultieme zingeving In het spel ‘speelt iets mee’, dat boven de onmiddellijke zucht tot levensbehoud uitgaat en daar een zin in legt (Huizinga 1938:2). Maar...ook spelen moet je leren om er de smaak van te pakken te krijgen. Zonder inzet, strijdlust en vaardigheid vinden spelen hun bloedeloos einde. Soms gelukt het ook niet met een spel en vraagt het om bijzondere deskundigheid van ouders, leerkrachten, regisseurs en/of psychotherapeuten om zijn voltooiing te vinden. Ultieme zingeving In het spel ‘speelt iets mee’, dat boven de onmiddellijke zucht tot levensbehoud uitgaat en daar een zin in legt (Huizinga 1938:2). Slot – wat op het spel staat voor ons Wat staat er op het spel? Niet alleen democratie, niet alleen geschiedenis, niet alleen opvoeding. Wat op het spel staat, is onze bereidheid om het leven niet te reduceren tot nut, macht of efficiëntie. Huizinga waarschuwde: Wanneer cultuur haar speelsheid verliest, wordt zij barbaars – zelfs wanneer zij zich beschaving noemt. Beatrice de Graaf herinnert ons: Wij zijn de tijden. Daan Roovers vraagt ons: Spelen we het spel nog eerlijk? De pedagogische vraag die daaronder ligt, is misschien deze: Durven wij ruimte te bewaren waarin menselijkheid kan oefenen? Want alleen daar – in spel, in verhaal, in ontmoeting – kan hoop standhouden.

6 juni 2025 

Wij zijn de tijden; pedagogiek in crisistijd                           Gerard Weststeijn  

Ik weet niet hoe dat bij jullie is, maar ik merk dat ik telkens opnieuw geïnspireerd raak door wat mij omringt: de bijeenkomsten in de Loge, de Kring LCF, mijn Bouwhut en Probus, maar ook door wat er gebeurt binnen de Dependances al hier. Daarnaast put ik veel inspiratie uit de boeken die ik lees, de filosofen die me bezighouden en uit actuele programma's als Buitenhof, WNL en de Verwondering. In mijn studietijd al viel het werk van Johan Huizinga (historicus, cultuurfilosoof 1872- 1945) me op, die een klassieker heeft geschreven, te weten: “Herfsttij der Middeleeuwen” en een half jaartje geleden heb ik het boek van deze Johan Huizinga Homo ludens aangeschaft. Op donderdag 12 december 2024 hield historicus en terrorisme expert Beatrice de Graaf de 53ste Huizinga lezing te Leiden, getiteld - Wij zijn de tijden. Geschiedenis in crisistijd - . In deze lezing onderzocht De Graaf hoe geschiedenis in tijden van crisis wordt ingezet om betekenis en richting te geven aan de actualiteit. De Graaf stelde dat mensen in crisissituaties vaak teruggrijpen op historische verhalen om houvast te vinden. Leiders, activisten en burgers gebruiken geschiedenis om zin te geven aan moeilijke tijden. Echter dit gebruik van geschiedenis kan ook problematisch zijn, historische analogieën kunnen misleidend zijn en verhalen kunnen worden ingezet om angst aan te wakkeren of om mensen in identitaire hokjes te plaatsen. Ik volg Beatrice ’s betoog en lardeer dit met mijn eigen gedachten over onze huidige tijd en spits het toe op de vraag wat dit voor de opvoeding, ofwel pedagogiek te betekenen heeft. In de tijd van Johan Huizinga was crisis een modewoord, en nu, bijna een eeuw later, lijkt het er opnieuw op dat de ondergang van de westerse beschaving ons alom wordt aangezegd. 2 Wij zijn de tijden. Pedagogiek in crisistijd Lezing Langeveldcentrum 6 juni 2025 Huizinga laat zien dat we in een echte of beleefde crisistijd niet zonder het hulpmiddel van de historie uitkomen en in de tweede plaats dat we die historie op een bepaalde manier moeten hanteren: We moeten historische verhalen horen en vertellen vanuit een bepaalde grondhouding. Huizinga komt met twee verhalen: Het eerste verhaal is van Augustinus, de bisschop die leefde van 354 tot 430 na Christus en met eigen ogen zag hoe het Romeinse rijk ten onder zou gaan. Hij vertelde het verhaal van Kakos (Grieks voor kwaad of slecht), het tragische monster , een mythisch figuur uit de Romeinse mythologie. Het verwijst naar een monsterlijk figuur die bekend staat om zijn brute kracht, onrecht en morele verwarring. Kakos was een vuurspuwend monster dat leefde in een grot aan de Tiber in Italië. Volgens de overlevering stal hij een deel van de runderen die de held Heracles had geroofd en hij sleepte de dieren achteruit zijn grot in, zodat hun sporen niet zichtbaar waren. Echter Hercules vond hem toch door het geloei van een rund en doodde hem in een brute strijd. Augustinus maakte de ondergang van het Romeinse Rijk mee en kon ter nauwer nood zijn zorgvuldig opgebouwde bibliotheek redden. Hij wil aan ons duidelijk maken dat ons leven vergankelijk en gebrekkig is. Zelfs het machtigste rijk gaat ten onder, zeker als het ook nog corrupt is, maar toch blijft het streven naar een toestand van evenwicht en harmonie, die we ‘vrede’ noemen ons ingeboren. Dat blijft het visioen hoe duister de tijden ook zijn, er zal een nieuwe wereld komen, ieder mens moet zich blijven laven aan wat moed en hoop voor de toekomst geeft. Huizinga ging hierop door en voegde een extra klank aan die grondtoon toe. In ‘Herfsttij’ ziet hij de late Middeleeuwse samenleving niet als een overgang naar de opleving van kunsten en wetenschappen van de Renaissance, maar als een tijdperk In de ban van culturele ondergang, pessimisme en institutionele instorting. Oorlog en strijd werd niet meer nobel gevoerd: het ridderschapsideaal werd verlaten. Er werd volop gestroopt en geplunderd, verraad en wreedheid sluwe baatzucht en overmacht waren aan de orde van de dag en het krijgswetbedrijf was een zaak van winstbejag geworden. Kakos ging volop tekeer. In Homo ludens (1938) onderbouwde Huizinga het punt door te wijzen op de doelbewuste ondermijning van het internationale- en oorlogsrecht. Staten wilden zich niet eens meer aan de hoge normen houden. Hij zag een fatale ontwikkeling van technische en staatkundige 3 Wij zijn de tijden. Pedagogiek in crisistijd Lezing Langeveldcentrum 6 juni 2025 mogelijkheden en een vergaande morele ontworteling, die In de jongste tijd de moeizaam verworven constructie van het oorlogsrecht, waarbij de tegenstander werd erkend als gelijkwaardige partij, die op een eervolle en eerlijke behandeling aanspraak had, in bijna alle opzichten buiten werking gesteld. Het systeem van het volkenrecht werd niet meer en niet langer algemeen als grondslag van elke beschaving erkend. Het met de opkomst van het ultranationalisme in de binnenlandse politiek en het vijanddenken In de internationale politiek, was de toestand in maatschappij-en statengemeenschap moreel ‘verwilderd’ geraakt. Hij voorspelde in 1938 dat waanzinnige zelfverheffing tot ongehoorde hoogten van verblinding en verdwazing zou voeren. De belichaming van die verdwazing ziet hij terug in de geschriften van politicoloog Carl Schmitz. De eenvoudige waarheid dat de mens In de kosmos streeft naar harmonie en niet naar disharmonie was door denkers als Spengler en Schmidt in het tegendeel omgekeerd. Niet het goede, maar het kwaad wordt tot richtsnoer en vuurbaken verheven. Of het nu over de Tweede Wereldoorlog gaat, Auschwitz, de aanslagen van 7 oktober, de duizenden doden van Gaza of de oorlog in Oekraïne, gefixeerd op die ellende worden we ruggelings de toekomst in geslingerd zonder dat we er grip op krijgen. Het is dan niet meer dan logisch dat vele (jonge) mensen geen nieuws meer willen zien, niet meer over ‘nare geschiedenis’ willen horen en wegduiken als het over oorlog en Holocaust gaat. Psychologisch is het uitvoerig aangetoond dat mensen hoopvolle verhalen nodig hebben om grip te krijgen op de rauwe werkelijkheid, om niet radeloos en hulpeloos te worden. Het maakt dan ook nogal uit wat voor verhalen dat zijn en wat de grondhouding erachter is. In tijden van ondergang en crisis trekken terroristen met hun verlossingsverhalen hordes jongeren in hun ban, maar niet alleen in Syrië, Irak of Nigeria, ook hier in Nederland. Ook populisten zijn goed in het bedenken van historisch-nostalgische voorstellingen, waarmee ze hun achterban verleiden. Maar de vrede, die ‘toestand van evenwicht en harmonie in de samenleving, van recht en rechtvaardigheid, wordt daarmee niet gediend. We ontkomen niet aan de plicht om verhalen in crisistijd te ontwikkelen vanuit een grondhouding van amor mundi. Ik verwijs naar Hannah Arend waar ik al eerder over heb gesproken over “liefde en kwaad”. Een begrip overigens van Augustinus waar ze haar proefschrift over heeft 4 Wij zijn de tijden. Pedagogiek in crisistijd Lezing Langeveldcentrum 6 juni 2025 geschreven. Ook op de aller donkerste momenten is er goedheid. Het geweld, de wreedheid, en de oorlog halen niet alleen het slechtste in de mens boven. Daarnaast verwijs ik naar Edith Eger, de Ballerina van Auswitch, onlangs gelezen en zo geweldig intrigerend hoe zij in het leven staat. De Graaf noemde ook een aantal positieve voorbeelden uit de geschiedenis in deze, zoals de radiotoespraken van de Amerikaanse president Franklin Roosevelt in de jaren 30, die de natie hoop gaf tijdens de grote depressie. Ook verwees ze naar koning Willem Alexander, die tijdens de coronapandemie op een lege Dam sprak over het verleden en de lessen die daaruit getrokken moeten worden. Daarin benoemde hij het tekort van Nederland en van zijn eigen overgrootmoeder jegens de weggevoerde joden “Het is iets wat we niet loslaat”, zei hij. Hij hield het niet bij zichzelf, maar gaf ook een handelingsperspectief: niet goed praten en onze vrije democratische rechtsstaat koesteren en verdedigen. Beide leiders tonen een grondhouding van amor mundi - een liefde voor de wereld en hoop voor de toekomst - waardoor ze in staat waren om met historische verwijzingen een positief toekomstbeeld te schetsen. Alles draait om die cognitieve en morele grondtoon om de moreel- epistemische pijlers van de geschiedenisverhalen: hoe je in het leven staat, belichaamd in de deugden, zoals geloof, hoop, vertrouwen. Iets wat je niet kunt bewijzen, maar waar je zelf affectief je handelen aan toewijst en waar je aan vast blijft houden. Je kan religieus geïnspireerd zijn door een geloof in God bijvoorbeeld, maar dat kan ook seculier: geloof in de kracht van vriendschap en familie van democratie en rechtsstaat voor menselijkheid en beschaving. Ook Levinas benadrukt die ethische gevoeligheid. Nog voor je er woorden voor hebt, word je door anderen geraakt: ze doen een appèl. Bij Levinas zouden we ‘Kakos’ kunnen zien als een figuur die “het gelaat” van de Ander mist, hij leeft in een wereld waar het appèl van de ander niet doordringt. Zijn tragedie is een radicale gescheidenheid van het ethische en dus van menselijke nabijheid. Het omgekeerde kan ook. Je kunt ook alarmistische, ondermijnende, opruiende en zelfs radicaliserende verhalen vertellen. Het is het simplistisch Kakos verhaal. 5 Wij zijn de tijden. Pedagogiek in crisistijd Lezing Langeveldcentrum 6 juni 2025 De Graaf waarschuwt voor het misbruik van geschiedenis door complotdenkers en technocratische benaderingen die geen ruimte laten voor menselijke ervaring en hoop. Ze benadrukt dat geschiedenis niet moet worden gebruikt om mensen te verdelen of te ontmoedigen, maar om perspectief en verbondenheid te bieden. Deze houding van hoop en betrokkenheid is volgens de Graaf essentieel in tijden van crisis. Wij zijn de tijden. En wees zelf een baken van moed en hoop. De tijd waarin we opvoeden De Graaf stelt dat mensen in tijden van crisis instinctief teruggrijpen op geschiedenis om zin te geven aan verwarring. Leiders, ouders, opvoeders, jongeren: allemaal zoeken ze houvast in verhalen over vroeger. Dat is op zich niet verkeerd. Maar ze waarschuwt: het gebruik van historische analogieën kan ook misleidend zijn, wanneer ze verworden tot mythen, vijandbeelden of nationalistische simplificaties. De centrale vraag is dan: welke verhalen vertellen wij in crisistijd? En vanuit welke grondhouding doen we dat? Volgens Johan Huizinga hebben crisissen mensen altijd verleid tot simplificatie. Huizinga’s analyse van ‘morele verwildering’ raakt ons opnieuw vandaag. Huizinga roept op tot een andere manier van in de tijd staan. Zoals Augustinus het formuleerde: “Wij zijn de tijden” – niet de omstandigheden vormen ons, maar wij vormen de tijd door wie wij zijn. De pedagogiek als plek van hoop en oriëntatie Wat is onze rol als zorgverleners, therapeuten, pedagogen, en opvoeders in deze context? De eerste opdracht is: het herstellen van het narratief vermogen. Pedagogiek is altijd een verhalenpedagogiek geweest. Niet alleen het doorgeven van feiten, maar het overdragen van een zinstructuur: wie ben ik, wie zijn wij, wat is goed, wat is waardevol? Onderzoek toont keer op keer aan dat mensen — vooral jongeren — hoopvolle, dragende verhalen nodig hebben om zich staande te houden. Zonder een toekomstbeeld dat open, leefbaar en zinvol is, ontwikkelen zij gevoelens van onmacht, angst of apathie. Crisisverhalen zonder perspectief kunnen mensen lamleggen. 6 Wij zijn de tijden. Pedagogiek in crisistijd Lezing Langeveldcentrum 6 juni 2025 Maar hoop is geen goedkope positiviteit. Het is, zoals Hannah Arendt het beschrijft in haar concept amor mundi, een vorm van liefdevolle betrokkenheid bij de wereld ondanks haar gebreken. Het pedagogisch handelen krijgt waarde wanneer het niet cynisch is, maar standhoudt in onzekerheid. Wij geven hoop aan onze jongeren, samen met hen — in de ontmoeting, de dialoog, de oefening van betekenis. Levinas en het appèl van de Ander Op een nog fundamenteler niveau is pedagogiek ook een ethische discipline. Emmanuel Levinas, filosoof van de ander, stelt dat alle ethiek begint bij het gelaat van de ander dat ons aanspreekt. Voordat we redeneren, plannen, onderwijzen, is er die ander die ons nodig heeft — ons wakker maakt uit onze zelfgerichtheid. In crisistijd staat deze ethische gevoeligheid onder druk. Het maatschappelijk klimaat maakt mensen argwanend, defensief, wantrouwig. Ook in het onderwijs zien we hoe relaties verharden, ouders zich vijandig opstellen, leerlingen angstig of agressief reageren. Juist hier is het pedagogisch weten van nabijheid essentieel. Niet het afstandelijke oordeel, maar de belichaamde nabijheid, het present-zijn in de ontmoeting, maakt pedagogiek tot tegenkracht. Het monster Kakos, waar Augustinus over sprak, is niet zomaar een figuur van geweld. Hij is ook de mens die de ander niet meer ziet, die zichzelf afsluit voor kwetsbaarheid. De pedagoog die deze houding niet overneemt, maar standhoudt in zijn openheid, oefent daarmee hoop in praktijk. Praktische implicaties: wat vraagt dit van pedagogen De pedagogiek in crisistijd vraagt om een houding die ik zou willen omschrijven als ‘ethisch narratief handelen’. Dat betekent:  Verhalen vertellen die perspectief geven — niet om de pijn te verdoezelen, maar om haar te integreren in een groter, betekenisvol kader.  Aanwezig zijn — werkelijk present, zonder cynisme of vermijding, juist in de rauwheid van de werkelijkheid.  Grenzen stellen zonder te breken met de ander — dus pedagogische liefde bedrijven die begrenst én nabij blijft.  Zelf reflecteren op onze grondhouding. Zijn wij zelf verbonden met wat we doorgeven? Zijn we baken van hoop, of doorgeefluik van angst? 7 Wij zijn de tijden. Pedagogiek in crisistijd Lezing Langeveldcentrum 6 juni 2025 Tot slot de opvoeding als morele ankerplaats In de slotwoorden van haar lezing zei Beatrice de Graaf: “Wees zelf een baken van moed en hoop.” Dat geldt in hoge mate voor ons als pedagogen. Niet door heldhaftigheid, maar door standvastige aanwezigheid. Door kinderen en jongeren te laten zien dat crisis niet het laatste woord heeft. Dat geschiedenis niet louter ellende is, maar ook getuige van veerkracht. Dat vrede een werkwoord is — iets dat geoefend, bewaard en voorgeleefd moet worden. Zoals Augustinus al zei: “Wij zijn de tijden.” En dus: de pedagogiek is de tijd — zij bepaalt hoe een samenleving zichzelf doorgeeft aan de volgende generatie. We staan op de schouders van onze ouders. Laten wij als opvoeders, en therapeuten die tijd waardig vormgeven.

plaatje 6 juni 25.png

5 september 2025                                   

 Tegen cynisme en voor hoop                            Trudy Maaskant

We bespreken het interview van Griet Op den Beeck met Femke Halsema (Zomergasten 24 augustus NPO1) : Nee tegen cynisme en ja tegen hoop: Femke Halsema is burgemeester en bestuurder van Amsterdam, uitdrukkelijk geen politica (meer), en staat in principe boven de partijen.. Ze heeft criminologie gestudeerd, en is dus een beetje een collega. We kiezen haar als onderwerp omdat ze helder de maatschappelijke context waarin wij in Nederland, m.n. in Amsterdam kan uitleggen. Herkennen we in Femke een hermeneut? We laten drie fragmenten uit de uitzending (24 augustus NPO1) zien. Vragen voor de bespreking : Waar word je enthousiast, waar minder?  Past Femke hermeneutische principes toe?  Welke?  Waar lukt dat goed, waar niet?  [Er is een fragment over de periode in Amsterdam vlak na 9-11. De opkomst van Pim fortuin. FJ ziet deze tijd als een keerpunt, sinds 9-11 kan men spreken van de teloorgang van het klassieke beschaafde democratische bestel. Ervoor poogt men tegenstanders met woorden te overtuigen cq verslaan. Erna wordt de teneur, tegenstanders veranderen in vijanden en dan ligt de weg naar uitschelden en geweld open. F blijkt graag verschillen en bevolkingsgroepen te benoemen en van de eigen context te voorzien, met als doel zoveel mogelik iedereen binnen boord te houden. In zorgvuldige taal kun je de gemeenschap opbouwen. Ze legt er een grote dienstbaarheid voor aan de dag. Fragment van de burgemeester van Ramallah die als moslim overweegt wanneer de lichtjes in de kerstboom met stal op het centrale plein aan te steken omdat de bevolking een tastbaar eenheidssymbool nodig heeft. We herkennen het hermeneutische taalgemeenschaps begrip, en de kennishorizon. Het derde fragment betreft een interview met de Australische singer-songwriter Nick Cave. Hij heeft zijn zoon verloren en spreekt toch over hoop: ” Er was een ramp voor nodig om de waarde van het leven te zien en hoop te vinden. The world is worth believing in. Hoop is een strijdbare emotie om cynisme te bestrijden” Femke vult aan dat hoop geen lichtzinnig optimisme is maar hard werken en eenzaam, je moet er je best voor doen.] In haar woorden en houding herkennen we de hermeneutische twijfel, de text in context de taalgemeenchap en principe van stabiliteit: eerst zorgvuldig benoemen wat je ziet, voor dat je gaat proberen iets aan te pakken of te veranderen. We hadden een geanimeerde bijeenkomst. (TM)

bottom of page